‘Gepensioneerden nog steeds boos’

Meld u aan!

De Telegraaf 5 oktober 2019

Gepensioneerden zijn nog steeds boos over de truc van drie opeenvolgende kabinetten
Lubbers en dreigen met een rechtszaak
Het is tientallen jaren geleden, maar menig gepensioneerde kan zich nu nóg boos
maken over ’de greep in de kas’ bij pensioenfonds ABP. Zeker nu er kortingen dreigen
bij het fonds. Opeenvolgende kabinetten Lubbers betaalden voor meer dan 30 miljard
gulden te weinig premie. „De overheid was verslaafd geraakt aan deze makkelijke
bezuiniging.” Maar toenmalig minister Onno Ruding vindt de ingrepen nog altijd
verdedigbaar. Een rechtszaak dreigt.
Lech, 30 december 1981. Koningin Beatrix ondertekent tijdens haar wintersportvakantie
in Oostenrijk een wijziging van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet. De wetswijziging
beslaat nauwelijks meer dan een A4’tje, maar zal het begin inluiden van een
langslepende geschiedenis. Een episode die ambtenarenpensioenfonds ABP tot op de
dag van vandaag achtervolgt.
Toenmalige ministers Ed van Thijn van Binnenlandse Zaken en Fons van der Stee van
Financiën willen de pensioenpremie die zij als overheidswerkgever aan het ABP betalen
met terugwerkende kracht verlagen, van 22 naar 21 procent. Zij menen dat het fonds rijk
genoeg is. Het is een gemakkelijke bezuiniging. De PvdA’er en de CDA’er zien ’de
noodzaak om te komen tot een matiging in de ontwikkeling van de collectieve uitgaven’.
Een sprong naar het heden. Corien Wortmann, bestuursvoorzitter van het ABP, geeft
aan deze krant een interview over de financiële problemen waarmee het pensioenfonds
nu kampt. In een zijlijn van het gesprek komt plots deze historie ter sprake: „We krijgen
nog veel vragen over de greep in de kas. Daar kunnen deelnemers nu echt nog
woedend over worden.” Begin van dit jaar konden pensioenspaarders bij ABP vragen
stellen aan bestuursleden. Er kwamen meer dan 3000 vragen binnen, 342 vragen gingen
over ’de greep in de kas’. Ook Telegraaf-lezers wijzen vaak op deze geschiedenis.
„Het is net als met het kwartje van Kok”, zegt Onno Ruding, oud-minister van Financiën.
„De ene nieuwsgebeurtenis krijgt veel meer aandacht dan de andere. Als je iets in de
krant leest over een politicus die een greep in de kas zou hebben gedaan, maakt dat
blijkbaar indruk. Dat dit momenteel nog steeds opspeelt, komt doordat men nu kampt
met problemen. Stel dat je een gepensioneerd ambtenaar bent, dan wind je je daarover
op.”
Hoofdrolspelers
Ruding zelf is een van de hoofdrolspelers. Het is begin jaren tachtig, een totaal andere
tijd. Als de CDA’er aantreedt als opvolger van Van der Stee staat de overheidsbegroting
diep in het rood. Jaar na jaar is er een tekort, in 1982 van bijna 6 procent van het bruto
binnenlands product. Dat is zelfs tijdens de kredietcrisis niet meer geëvenaard. Kabinet
Lubbers I moet schoon schip maken.
Pensioenfonds ABP is dan nog onderdeel van de overheid, van het ministerie van
Binnenlandse Zaken om precies te zijn. Dat ambtenarenfonds belegt bijna alleen maar in
staatsleningen, grotendeels Nederlandse. Het fonds financiert dus deels de Nederlandse

staatsschuld. ABP en schatkist zijn vestzak-broekzak. Nederland betaalt dan nog
torenhoge rentes over die staatsobligaties en die rentevergoedingen zijn de
rendementen voor het pensioenfonds.
Terwijl de overheid nu heel streng is voor pensioenfondsen, vond de politiek toen dat ze
te rijk waren. „Wij vonden als overheid dat het fiscale beleid te gunstig was voor
pensioenfondsen”, zegt Ruding nu. „Het was aantrekkelijk voor werkgevers en
werknemers om hoge pensioenpremies te betalen, die konden ze namelijk aftrekken. Het
gevolg was dat pensioenfondsen voortdurend te veel geld binnenkregen. Dat sloeg
negatief neer op de minister van Financiën. Ik kreeg te weinig belasting binnen.”
Via de Wet Brede Herwaardering dreigden Lubbers en Ruding te hoge vermogens van
pensioenfondsen af te romen via belastingmaatregelen. „Lubbers wilde op een gegeven
moment die pensioenfondsen zelfs nationaliseren”, herinnert een oud-topambtenaar
zich. Werkgevers trokken hun conclusies, zegt hij: „Die wet hing als een zwaard van
Damocles boven de markt. Dat heeft er in de jaren negentig toe geleid dat veel
pensioenfondsen premie-holidays gaven aan bedrijven. Werkgevers hoefden geen
premie af te dragen om te voorkomen dat de buffers te hoog werden.”
Nu ondenkbaar, maar dat was de sfeer in die tijd. Op die manier keek het kabinet ook
naar ambtenarenfonds ABP. Na de eerste premieverlaging in 1981 zette Ruding dat
beleid voort. Jaar na jaar diende het kabinet wetsvoorstellen in om de overheidspremie
verder te verlagen. Tot het laagste punt in 1989 – Rudings laatste jaar als minister – was
bereikt: de premie was toen nog maar 8,3 procent.
Vandaag de dag vindt Ruding dit nog altijd verdedigbaar. „Het is een groot misverstand
dat dit een greep in de kas zou zijn geweest. Men moet zich realiseren dat er grote
overreserves waren bij ABP. Ook nadien was er nog een abnormale overdekking. Als
iemand zegt dat-ie benadeeld is, is dat echt onzin. We hebben inderdaad maatregelen
genomen, omdat het pensioen veel te duur was. Ik noem dat geen greep uit de kas, dat
vind ik populisme.”
Ambtenaren zijn er volgens hem niet slechter van geworden: „Een deel van die lagere
pensioenpremies hebben wij later benut voor betere ambtenarensalarissen.” De
Algemene Rekenkamer stelt in een terugblik iets anders: „De verlagingen van de
afdrachten aan het ABP waren voornamelijk bedoeld om het financieringstekort van de
Staat terug te dringen.”
Controversieel
Van meet af aan waren de ’uitnamewetten’ – zo heetten ze eufemistisch –
controversieel. De Tweede Kamer stemt keer op keer in, maar vraagt zich wel af hoe
verstandig het is de premies te verlagen om zo de rijksbegroting op orde te brengen.
Ook de Raad van State is kritisch. De adviseurs hekelen dat de minister steeds met
terugwerkende kracht voor honderden miljoenen weghaalt bij het ABP, terwijl de
pensioenrechten steeds onveranderd blijven.
De tijd tikt door, de rekening telt op. Rudings opvolger Wim Kok verhoogt de premie
weliswaar in stapjes enigszins, maar de oorspronkelijke 22 procent komt in de verste
verte niet in beeld. Een vakbondsbestuurder uit die tijd: „De overheid was verslaafd
geraakt aan deze makkelijke bezuiniging bij ABP. De kritiek nam toe, onder andere van

actuarissen die berekenen welke premie bij welke pensioentoezegging hoort. De
spanning nam toe.”
Begin jaren negentig neemt minister Ien Dales van Binnenlandse Zaken – we zitten
inmiddels bij Lubbers III – het initiatief om ABP te privatiseren. Een adviescommissie van
ambtenaren, vakbonden en pensioenbestuurders stelt in 1992 dat het zo niet langer kan.
„Continuering van het huidige niet kostendekkende bijdrageniveau betekent dat de
financiële problematiek ieder jaar met zo’n 3900 miljoen wordt vergroot.” Jaar op jaar
teert het pensioenfonds 4 miljard gulden in. Privatisering is de enige oplossing.
Maar zet Lubbers ABP na de greep in de kas wel financieel gezond weg? Komen die
miljarden weer terug? Inmiddels was sprake van ’een financieringsachterstand’ van
32,86 miljard gulden, omgerekend 15 miljard euro, zo schrijft de Rekenkamer
naderhand.
De adviescommissie verzint een paar financiële trucs waardoor Lubbers geen miljarden
hoeft terug te storten, maar ABP wel op eigen benen kan staan. Met wat gegoochel
wordt bijna 20 miljard gulden vrijgespeeld bij de vut en het invaliditeitspensioen. Die
regelingen worden uit het pensioen getild, maar de miljarden van de reeds bestaande
vut- en invaliditeitsrechten worden aan het ABP-vermogen toegevoegd.
Eindresultaat: ABP heeft 106 gulden in kas voor 100 gulden aan pensioenverplichtingen,
een zogeheten dekkingsgraad van 106 procent. „De vakbonden wilden zo graag
privatiseren, ze waren benauwd voor Lubbers, dat ze hiermee akkoord gingen”, zegt een
voormalig fondsbestuurder. Is het nu netjes gegaan of niet? „Er is redelijk goed
afgerekend, maar het fonds is met veel minder kapitaal geprivatiseerd dan we nu eisen.
Nu zou dit voor toezichthouder DNB onaanvaardbaar zijn.”
Twijfels
„Het was marginaal, maar maakte wel een nieuwe start mogelijk”, blikt een andere
betrokkene terug. De Rekenkamer houdt zich later op de vlakte over de soliditeit van het
fonds, maar merkt wel fijntjes op dat de gekozen oplossing voor de overheid ’financieel
gunstig’ is. De Raad van State heeft meteen twijfels: „Het is immers ook aan twijfel
onderhevig of deze normdekkingsgraad van 106% toereikend zal blijken te zijn.”
De privatisering van ABP ligt alweer 23 jaar achter ons. Toch is het boek nog niet
gesloten. Econoom en gepensioneerd ambtenaar Rob de Brouwer wil met Vereniging
Pensioenverlies de Nederlandse Staat voor de rechter dagen. Hij spreekt van
’pensioenroof’, zeker nu er kortingen dreigen. Inmiddels zijn al 2500 mensen lid
geworden, zo meldt De Brouwer. „Nu wij voldoende ondersteuning hebben via onze
leden, die zelf ook met feitenmateriaal komen, kunnen wij beginnen met de selectie van
een advocaat en de verdere uitwerking van de aanklacht.”
Het ABP zelf is er nu wel klaar mee. „Toen ABP in 1996 privatiseerde, vond de overheid
dat ABP met een schone lei moest kunnen beginnen”, zegt vicevoorzitter José Meijer op
de website. „Door de goede afspraken konden we een streep onder het verleden
trekken.” Verder wil het fonds er geen woorden meer aan vuil maken: „We willen de
onrust onder onze deelnemers niet onnodig voeden met een interview. De feiten en
opvatting van ABP staan op onze site. En we hebben daar niets aan toe te voegen.”
Martin Visser

’De verlagingen van de afdrachten aan het ABP waren voornamelijk bedoeld om het
financieringstekort van de Staat terug te dringen’